Foto: Par-Pa fotografie
De lichten in de grote zaal van De Nobel dimmen en op het scherm verschijnt een video. Een interviewer stelt voorbijgangers in Leiden een eenvoudige vraag: wat is cultuur voor jou? De antwoorden variëren, tot een oudere man het kernachtig samenvat. “Cultuur,” zegt hij, “is steeds even kort op vakantie gaan.” Er klinkt gejuich uit de volle zaal. Even later staan tien politici op het podium om uit te leggen hoe zij die vakantie mogelijk willen maken, of juist niet.
Groot Leids Cultuurdebat
Het Groot Leids Cultuurdebat is onderdeel van de Kies Cultuur-campagne van de Cultuurtafel Leiden en vond plaats in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart. Campagnetijd dus, en dat is te merken. Bijna iedereen begint met een persoonlijke definitie van cultuur. “Voor mij is het een moment van reflectie,” zegt SP’er Stefan Haas. Anderen spreken over ontmoeting, identiteit en ontspanning. Over één ding lijkt snel consensus te bestaan: cultuur is belangrijk. Maar zodra het debat opschuift van betekenis naar beleid wordt die eensgezindheid dun.
Makers centraal
Haas zet al vroeg de toon. Volgens hem wordt cultuur te vaak behandeld als luxe, terwijl het voor makers simpelweg werk is. “We hebben het over een sector waar heel veel mensen onder de armoedegrens leven,” zegt hij. Leiden profileert zich graag als culturele stad, maar investeert met zo’n 79 euro per inwoner beduidend minder dan vergelijkbare steden. Zo worden in Arnhem, Haarlem en ’s-Hertogenbosch zo’n 139, 164 en 126 per inwoner uitgegeven aan cultuur. Dat wringt, vindt Haas, en hij richt zijn pijlen op coalitiepartij D66. “Er is de afgelopen jaren níét structureel geïnvesteerd in makers.” Wanneer wethouder Economie, Kennis, Sport en Gezondheid Wietske Veltman (D66) hem probeert te onderbreken, kapt hij haar af. “Laat me even uitspreken.” Het levert applaus op uit de zaal – een terugkerend signaal dat het publiek weinig geduld heeft voor omzichtigheid. Veltman staat als enige vertegenwoordiger van het zittende college in een lastige positie. Ze zoekt zichtbaar naar verbinding, omarmt ideeën over cultuureducatie en zegt ruimte te zien voor cultuur in het onderwijs. Tegelijk verdedigt ze het bestaande beleid en blijft ze binnen bestuurlijke kaders. Haar antwoorden zijn zorgvuldig, maar missen urgentie. Het contrast met de emotie in de zaal is groot: waar makers vragen om zekerheid en continuïteit, spreekt de wethouder over processen en mogelijkheden.
Foto: Par-Pa fotografie
Waarde boven marketing
Ook aan de linkerkant van het politieke spectrum klinkt de roep om cultuur als publieke waarde. Denise Martina van de Partij voor de Dieren, zelf werkzaam in de sector, benadrukt dat cultuur meer is dan grote instellingen en festivals. Het gaat om mensen, om dagelijkse praktijken. Tegelijk zet ze zich af tegen cultuur als marketinginstrument. Internationale profilering en city branding klinken mooi, maar mogen volgens haar nooit het doel worden. Cultuur moet waarde hebben op zichzelf, niet als lokmiddel.
Die internationale blik komt juist wél terug bij Jasper Kol van Volt. Hij ziet kansen voor Leiden op Europees niveau, met bijvoorbeeld samenwerkingen en uitwisselingen met partnersteden. “Profilering stopt niet bij de regio,” stelt hij. Het zijn ambitieuze ideeën, maar ze blijven abstract. Hoe die internationale ambities zich verhouden tot de precaire positie van lokale makers, blijft onbesproken.
Geen prioriteit
Tussen al deze standpunten door proberen kleinere partijen hun accenten te leggen. Studenten voor Leiden pleit voor meer ruimte voor jongeren en een levendig nachtleven met flexibelere sluitingstijden. De ChristenUnie benadrukt dat ook religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten onderdeel zijn van cultuur. Het zijn sympathieke geluiden, maar ze verdwijnen snel in het grotere politieke geweld.
Aan de andere kant van het spectrum klinkt een heel ander verhaal. Voor het CDA en Partij Sleutelstad is cultuur nadrukkelijk geen prioriteit. “De basis moet op orde zijn,” zegt Dave de Jong van Partij Sleutelstad, doelend op woningbouw, veiligheid en financiën. Sebastiaan van der Veer (CDA) waarschuwt bovendien voor overlast als uitgaansgebieden te veel ruimte krijgen. “Er wonen ook gewoon mensen.” Cultuur komt in deze visie pas daarna – wanneer dat ‘daarna’ is, blijft vaag. Het is een redenering die in de zaal op weinig begrip kan rekenen, juist omdat veel aanwezigen cultuur niet als extraatje zien, maar als basis.
Nul
De spanning bereikt een hoogtepunt wanneer het over geld gaat. Bijna niemand durft een concreet bedrag te noemen. Tot Friso Versluijs van de VVD het woord neemt. “Ik durf dat wel te zeggen,” zegt hij. “Nul erbij.” Het gejoel is direct en luid. Volgens de VVD moet cultuur draaien op ondernemerschap en kan de gemeente zich extra investeringen niet veroorloven, zeker gezien de hoge schuld. Andere partijen betwisten dat beeld en noemen het overdreven, maar de boodschap van de VVD is helder: wie niet rendabel is, redt het niet.
In de vraag-maar-raak-ronde verschuift de aandacht definitief naar het publiek. Makers spreken over het gebrek aan betaalbare ruimtes en de onzekerheid van projectsubsidies. Wanneer Volt en de ChristenUnie erop worden gewezen dat cultuur nauwelijks terugkomt in hun verkiezingsprogramma’s, roept iemand uit de zaal dat er “wat te herschrijven” valt. Het antwoord blijft ontwijkend: cultuur zou vanzelfsprekend zijn meegenomen. Het is precies dat soort vaagheid waar de zaal zich zichtbaar aan ergert.
Na afloop speelt de band en verplaatst het gesprek zich naar de foyer, waar de borrel wacht. Wat blijft hangen is niet zozeer wie het debat ‘gewonnen’ heeft, maar hoe groot de kloof is tussen woorden en keuzes. Iedereen gunt Leiden cultuur, want cultuur is nou eenmaal even op vakantie gaan. Maar dan moet iemand wel die reis betalen.


